Oefeningen voor korfbal - Doorloopbal


gesponsorde link
 

In het kort: beoefenen van de doorloopbal vanuit moeilijke situaties.

Organisatie: drie-of viertallen per korf, één of twee mensen onder de korf, twee er voor. Na het aangeven naar voren lopen om daarna een doorloopbal te nemen, doordraaien dus.

a ) Doorloopballen, aangegeven met een stuit.

b )Het aangeven gebeurt te laat: bovenhandse doorloopballen nemen.

c ) Het aangeven gebeurt te laat: de doorloopbalnemer loopt (links of rechts) langs de korf en brengt de bal min of meer zijwaarts of schuin achterover omhoog. Als de nemer met het rechterbeen afzet, dan verloopt deze beweging het soepelst en is het schot het zuiverst als links langs de paal gelopen wordt.

d ) Het aangeven gebeurt te laat: de doorloopbalnemer loopt langs de paal en slingert de bal met één hand over het hoofd in de korf. Deze beweging noem ik de Durk Bergsma-bal, naar de speler van Stânfries die een sterke voorkeur voor deze techniek heeft, die veel op een basketbal-techniek lijkt.

e ) Het aangeven gebeurt te laat: de doorloopbal wordt in de sprong genomen.

f ) De bal wordt te vroeg aangegeven: er moet een 'lange trekbal' worden genomen met een lang zweefmoment in de beweging.

g ) De bal wordt niet aangegooid maar toegerold (kan ook in wedstrijden voorkomen als de bal uit handen wordt geslagen, of na een mislukte stuitbal bijvoorbeeld)

h ) Mijn favoriete showbeweging: de bal wordt iets te vroeg aangegeven, waardoor er gelegenheid is om tijdens de ene toegestane pas de bal eenmaal rond het lichaam te brengen (bal vangen met rechts, naar achter de rug brengen, daar over pakken op de linkerhand, bal naar voren brengen en in twee handen nemen) en daarna pas te schieten. Niet direct een beweging om in een spannende wedstrijd uit te voeren.

Variaties:

1 ) Het aangeven gebeurt niet meer van onder de korf, maar vanuit de ruimte. Hierbij kan gedacht worden aan een plaats op circa 5 meter schuin voor de korf, waardoor met name het aangeven moeilijker wordt, maar de doorloopbal nog heel goed te maken is. Heel wat lastiger wordt het als de aangever nog veel verder van de korf staat, bijvoorbeeld op 12 meter schuin voor de korf. Of nog verder: denk aan de situatie waarbij vanuit de verdediging in 1 keer een doorloopbal wordt aangegeven. Om dat te oefenen -en velen zullen dat best leuk vinden -moet de aangever op meer dan 20 meter van de korf staan!

2 ) Alle oefeningen met een verdediger bij de nemer van de doorloopbal.

gesponsorde link
 

Oefening 1

Een aangever onder de korf met bal, een afvanger achter de korf en de aanvallers voor de korf op acht meter. De aanvaller neemt een afstandschot uit beweging, willekeurig links of rechts. De aangever sluit aan bij de aanvallers, de afvanger wordt aangever en de aanvaller wordt afvanger.

Wat kun je zien?

  • Roulatie van rollen kost gewenning.
  • Niet iedere speler weet waar vandaan hij kan schieten.
  • Spelers hebben moeite bij het afvangen om in te schatten waar de bal komt.
  • Het werpen naar een lopende aanvaller gebeurt onnauwkeurig.
  • Timing van de lichaamshouding van de aanvaller voor het schot. Het is pas goed als de schutter staat op het moment dat de bal gevangen wordt. Staan betekent: frontaal in de richting van de korf staan, neus en navel wijzen richting paal en de voeten staan in een lichte spreidstand.
  • Het vangen van de bal bij de schutter gebeurt in twee fasen, ten eerste wil de schutter de bal bemachtigen, daarna wordt de bal goed in de handen genomen om een schot te kunnen lossen. Het is pas goed als na het vangen direct een schot kan worden ingezet. Let dus op de juiste vanghouding van de handen alvorens het schot wordt ingezet.

Oefening 2

Als vorige oefening, maar na het schot blijft de schutter wachten tot de bal is afgevangen en neemt een doorloopbal. De afvanger vangt ook de doorloopbal af.

Wat kun je zien?

  • Het geduldig wachten na het schot, terwijl de schutter in beweging is, is moeilijk voor de schutter omdat de concentratie al gaat naar de doorloopbal. Het schieten is dan slechts een beurt invullen en geen poging om te scoren. Concentratie van het schot betekent ook het volgen van de bal nadat deze is losgelaten.
  • Het afvangen van het schot, aangeven van de doorloopbal en afvangen van de doorloopbal levert storingen op.

Oefening 3

Als vorige oefening, maar voordat de schutter de doorloopbal neemt, ontvanger hij de bal, maakt een schijnschot, gooit terug met één hand naar de aangever en neemt dan pas een doorloopbal. Een schijnschot betekent dat de beginhouding van het schot wordt ingenomen, de bal met twee handen wordt gestrekt maar niet wordt losgelaten. In plaats daarvan gooit de schutter terug naar de aangever met één hand. De keuze links of rechts is vaak afhankelijk van de positie van de verdediger, daar wordt bij de volgende oefening aandacht aan besteed.

Oefening 4

Als vorige oefening, maar de 1e aangever sluit niet direct aan achter de aanvallers. Na het eerste schot van de schutter (dit schot blijft zonder tegenstander) zal de afvanger de bal gooien naar de schutter. Op dat moment gaat de 1e aangever als verdediger naar de schutter om het (schijn)schot te blokkeren. De schutter passeert de verdediger en neemt de doorloopbal. De verdediger sluit nu aan achter de aanvallers.

Wat kun je zien?

  • Door veel voorbeelden en geduldig oefenen komt er beheersing van de vorm.
  • Het schijnschot wordt overgeslagen, er wordt direct na het ontvangen van de bal met twee handen naar binnen geplaatst. Leg accent op het schijnschot om de tegenstander te foppen.
  • Het naar binnen werpen gebeurt niet nauwkeurig en niet met één hand.
  • Het aantal doelpunten kan in het begin tegenvallen omdat er veel concentratie uitgaat naar de vorm van de oefening. Met name de juiste keuze om de verdediger voorbij te spelen is van belang, dat dat in eerste instantie ten koste gaat van de score is acceptabel.
  • De verdediger moet attent zijn om botsingen te voorkomen.
  • De verdediger kan zijn handen gebruiken om de pass naar binnen te blokkeren. Dit leidt tot nieuwe moeilijkheden voor de aanvaller. Faseer de druk die de verdediger uitoefent (bijvoorbeeld met twee handen op de rug, dan een hand gebruiken, verplicht inspringen en dan pas volledig verdedigen op het schot.)

Oefening 5

Een afvanger achter de paal, een aangever met bal onder de korf en een aantal aanvallers op 3 meter voor de korf. De leergang van de uitwijkbal wordt in deze en volgende oefeningen behandeld. De schutter op 3 meter ontvangt de bal, zijn beginhouding is als bij het schot uit stand, een kleine spreidstand. Verzet het rechterbeen iets naar achter, vind de balans op dat rechterbeen door iets met het linkerbeen a te zetten. Schiet vanuit deze balans gericht op de korf. Oefen een aantal maal op schieten op het rechter been, vervolgens op het schieten op het linkerbeen.

Schutter wordt afvanger, afvanger wordt aangever en aangever sluit weer aan bij de aanvallers.

Oefening 6

Als vorige oefening, maar de bal wordt pas gegooid als de schutter de linkervoet kruist voor de rechtervoet (bij een uitwijkbeweging naar rechts). De schutter moet het ritme zien te vinden van de pas naar rechts, ontvangst van de bal, balans zoeken op het rechterbeen en het goed strekken van armen en benen voor het gerichte schot.

Oefening 7

De aanvallers staan op 6 meter voor de korf. De schutter loopt richting korf, op de strafworpstip stopt hij en wijkt uit naar rechts. Op dat moment werpt de aangever de bal. De schutter maakt een uitwijkbal. De schutter mag een pas lopen bij het vinden van de balans. Het linkerbeen fungeert als speelbeen om de balans te houden.

De spelers leren van de voorbeelden die worden gegeven. Als trainer kan je de oefening zelf uitvoeren, ook in slowmotion om de richting van de balans goed te laten zien. Oefen deze beweging ook naar links.

Oefening 8

Na de uitwijkbal neemt de schutter een doorloopbal. De afvanger vangt nogmaals af. De schutter laten bewegen na de uitwijkbal alvorens de doorloopbal in te zetten. Dat kan in dezelfde richting als de uitwijkbal, of in tegengestelde beweging. Waak ervoor dat men verder van de korf gaat lopen.

Oefening 9

De uitwijkbal wordt een schijnschot en omgezet in een doorloopbal. De vloeiende beweging van het schijnschot omzetten in een pass naar binnen vereist meer controle in de balans. De bal met één hand naar de korf gooien.

Wat kun je zien?

  • De coördinatie van vangen naar een balans stappen is een probleem.
  • De schutter bepaalt de coördinatie door een ritme, soms met behulp van een hink.
  • Schutters komen bij een uitwijkbal naar rechts op linkerbeen terecht bij het vinden van balans. Dit maakt het indraaien naar de korf voor het schot moeilijk.
  • De uitwijkbal is een optie in het spel omdat een doorloopbalpoging wordt afgebroken omdat de verdediger goed bij blijft. Op den duur wordt de uitwijkbal een zelfstandige manier om vrij te komen.

Oefening 10

De aangever fungeert als verdediger om de schutter onder druk te zetten. Na de uitwijkbeweging naar rechts geeft de aangever de bal en tracht de aangever het schot te blokkeren. De schutter gaat voor het schot.

Oefening 11

Idem, maar de schutter heeft als alternatief de bal naar de in de korfzone aanwezige ‘afvanger’ te gooien en een doorloopbal te nemen. De verdediger gaat nog steeds voor het blokkeren van het schot. Reeds eerder is beschreven hoe de verdediger gefaseerd kan worden.

  • Gooien om iemand te laten scoren


Oefening 12

Twee spelers staan op 7 meter voor de korf en acht meter uit elkaar. Een speler met de bal onder de korf en een afvanger iets achter de korf. Een speler voor de korf neemt de doorloopbal die uit de ruimte wordt aangegeven, nadat de andere speler voor de korf de bal heeft ontvangen.

De doorloopbal wordt afgevangen door de afvanger. A1 wordt A2, A2 wordt A3, A3 wordt A4 en A4 wordt A1.

Wat kun je zien?

  • De aangever leert dat de schutter alleen een doorloopbal kan nemen als het werpen rustig wordt voorbereid, voor de schutter wordt gegooid en de bal geplaatst wordt op juiste hoogte.
  • Looptempo en loopweg van de schutter kunnen geregeld worden door het werptempo, balbaan en het baltempo.
  • Het leren beheersen van problemen als timing eisen veel herhaling en soms aanpassing van de gehanteerde afstanden.
  • De problemen voor de schutter, de beginhouding van de doorloopbal is anders omdat het lichaam gedraaid is voor balontvangst, leiden tot onzuivere acties. Blijf hier attent op.
  • De handelingssnelheid moet worden opgevoerd.

Oefening 13

Als oefening 12, maar de aangever gooit de bal naar een schutter die uitwijkt naar een positie schuin achter de korf. Er is sprake van een bal door het midden waarbij de aangever uit de ruimte in wedstrijdsituatie rekening moet houden met twee tegenstanders, zijn directe tegenstander en de tegenstander van de schutter, immers die loopt niet ver van de ballijn.

Oefening 14

Als oefening 13, maar de schutter maakt een schijnschot en speelt de bal door naar de speler onder de korf die een doorloopbal aangeeft.

Oefening 15

Oefenen van gooien en vrijkomen op de korte en lange lijn. De aangever staat ver naast de korf. De schutter staat voor in het vak aan de zijde van de aangever. De schutter loopt naar de aangever toe (de korte lijn), ontvangt de bal en schiet. De aangever wordt schutter, de schutter loopt naar achter de korf, de afvanger komt op de positie

van de aangever terecht, nadat de bal naar de volgende aangever is gegooid.

Oefening 16

Als oefening 15, maar de schutter kiest de lange lijn na een schijnbeweging in de richting van de korte lijn of korf te hebben gemaakt.

Oefening 15 en 16 kunnen met tegenstander bij de schutter worden getraind, zodat de aangever leert inschatten wanneer iemand vrij staat. Doseer de verdediger. Bij het gebruik van een verdediger kan de 2e aangever (die in feite niets doet) fungeren als verdediger. De roulatie na de oefening is dan: aangever wordt verdediger, verdediger wordt schutter, schutter wordt afvanger en afvanger wordt aangever (na een combinatie met een speler).